Des boosdoeners wille zeer kwaad Getuigt zekerlijk metterdaad, Dat hij niet vreest den Heere; Want hij hem in 't boze behaagt 't Welk hij noch hatet, noch beklaagt, Maar spot de vrome zere. Zeer schaad'lijk is de lere zijn, Vol van leugen ende venijn, En hij laat hem niet leren; Des nachts denkt hij niet dan schalkheid, Hij wil blijven in de boosheid, En van geen kwaad hem keren.
Vers 2
Heer, Uw goedheid en Uw woord waar Tot der lucht en den hemel klaar Hen strekken naar ons wensen; Uw oordeel vast als een berg staat, Uw recht diep als een afgrond gaat, Gij behoedt vee en mensen. Hoe groot is Uw goedheid eenpaar Hun, die onder Uw vleug'len haar Te begeven gedinken! Haar begeert' vervult Gij met goed, En aan Uwer wellusten vloed Voert Gij die, dat ze drinken.
Vers 3
In U is des levens fontein, En Uw klaarheid geeft ons allein Licht en verstand om merken. Over de harten onbevlekt Uw goedigheid, o Heere, strekt. Die steeds schijnt in Uw werken. Dat mij de voet des mensen wreed Niet en vertreed' en mij geen leed En doe; noch sla mits dezen. Hoe de bozen vergaan toch ziet; Zij blijven in eeuwig verdriet, Zonder verlost te wezen.