Alle volk gemein Sla de handen rein Met vreugde te zaam En met zang bekwaam; Prijs Gods Name goed, Met hart en gemoed, Want Hij is de Heer, Dien wij vrezen zeer; Een Koning is Hij, Die alzins toont vrij Zijn zeer sterke kracht En Zijn grote macht.
Vers 2
De volken gesteld Onder ons geweld Zullen wij haast zien, Die voor ons haar kni?n Buigen met ootmoed, Vallend' ons te voet. Hij is 't, die Jakob Tot Zijn volk neemt op, En tot Zijn erfdeel Ons verkiest geheel; Want Hij als Zijn kind Ons hart'lijk bemint.
Vers 3
Onz' God zeer vermaard Met vreugd' hoog opvaart, In een blij geschal Der bazuinen al, Die men lief'lijk hoort Met een zoet akkoord. Zingt nu openbaar; Gods onz' Konings klaar Goedheid wel bekend; Want tot aan elk end Strekt hem (zo elk ziet) Zijn macht en gebied.
Vers 4
Zingt gij, die kloek zijt; Want Hem zijn altijd De volken voortaan Gans'lijk onderdaan. Hij zit, versierd schoon, Hoog op Zijnen troon. De prinsen van naam Zijn Hem gehoorzaam, En zijn daarom hier, Dat zij werden schier 't Volk Gods minst en meest, Dien Abraham vreest.
Vers 5
Onze God vol eer Is een krachtig Heer', Boven hen gesteld, Die hebben 't geweld; En steeds onbezwaard, 't Aardrijk Hij bewaart.