God is in de vierschaar gezeten Der rechteren zeer stout vermeten; Onder de prinsen hooggeacht Is Hij Rechter met volle macht. Hoe lang zult gij, rechters vol treken, Onrechtvaardig oordeel uitspreken? En met de godd'lozen mitsdien, Zo schand'lijk door de vingers zien?
Vers 2
Wilt toch dat recht is, doen den armen, Oordeelt de wezen met ontfarmen, Helpt d' ellendige tot zijn recht, En den verdrukten mense slecht. Verlost uit versmaadheid en slagen Hem, die benauwd zijnde, moet klagen; Van de tyrannen hem vrij stelt, Die overlast is met geweld.
Vers 3
Maar wat wil ik hun 't goede prijzen? Haar hart is niet om onderwijzen; Zij volgen na haar blind verstand, Al zoude vergaan 't ganse land. Gij zijt, 't is waar, ik wil 't belijden, Als klein' goden tot dezen tijden; Gij heerset met ere vermaard, Alsof gij Gods kinderen waart.
Vers 4
Doch gij moet al te zaam verderven, En gelijk and're mensen sterven; En gij prinsen moet al voortaan Gelijk ander te gronde gaan. Wil U haast'lijk, o Heer, opmaken, Oordeel hier beneden onz' zaken; Want U behoort toe t' allen tijd Dat volk der ganse wereld wijd.