Zingt een nieuw lied den Heer geprezen,
Zingt, gij volken, wilt vrolijk wezen;
Looft en prijst Zijnen Naam altijd,
En verkondigt breed ende wijd
Gods verlossingen groot mits dezen.
Laat de heidenen Zijn eer merken,
Maakt gewag van Zijn wonderwerken;
Want hoog verheven is de Heer,
Die gevreesd moet wezen veel meer
Dan d' afgoden in alle perken.
Want de goden, die 't volk doen beven,
Zijn gans'ijk niet, want zij niet leven;
Maar God schiep den hemel zeer rein,
Zijn heerlijkheid en kracht niet klein,
Gaan voor Hem; hoog is Hij verheven.
Majesteit en kracht t' allen stonden
Zijn in Zijn heilig huis bevonden;
Daarom, gij volken, komt toch hier,
Geeft God den Heere goedertier
Eer en vreze met hart en monden.
Looft ende prijst den Heer eendrachtig,
Maakt groot den Name Gods almachtig.
Gij volken brengt Hem met deemoed
Geschenken en veel gaven goed;
Komt in Zijn huis, zijt daar aandachtig.
Komt t' samen, doet in Zijn woonsteden
In heiligheid uwe gebeden,
In Zijn woninge tot Hem gaat.
Dat alle mensen met der daad
Hem vrezen en dienen met vreden.
Iegelijk moet nu openbaren,
Dat onz' God heerst en zulks verklaren;
Dies zal 't aardrijk zeer vast'lijk staan.
Als door Zijn hand worden voortaan
Recht'lijk gerichtet alle scharen.
Dat de hemelen hen verblijden;
't Aardrijk dat lacht in deze tijden;
't Meer verheffe met vreugd den kop;
't Veld en ook al wat groeit daarop,
En bossen moeten God belijden.
De Heer komt, de Heer komt zeer spoedig!
Om 't aardrijk met harten zachtmoedig
Te richten in gerechtigheid
En de volken in billigheid
Te leiden naar Zijn waarheid goedig.
Tekst: Petrus Datheen