Wilt onzen God een nieuw lied zingen, Want Hij heeft groot wonder gedaan; Door Zijn hand kan Hij alle dingen Overwinnen en gans verslaan. Hij heeft ons 't heil geopenbaret, Daardoor dat wij al zijn bevrijd, En Zijn gerechtigheid verklaret Den volkeren breed ende wijd.
Vers 2
Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Naar Zijne goedigheid zeer groot, En aan Zijn waarheid vroeg en spade, Tot troost Israëls in den nood. 't Heil, dat ons God nu wilt toezenden Is alzins bekend nu ter tijd; Dies moeten des aardbodems enden Juichen en zingen zeer verblijd.
Vers 3
Looft den Heer met der harpen snaren, Trompetten en bazuinen klaar; Dat ze met psalmen nu verklaren En zingen Zijnen lof eenpaar. Juichet voor onzen God geprezen, Die een Koning sterk wezen zal. Dat de zee ontspringe mits dezen, En het aardrijk met zijn volk al.
Vers 4
Dat de waterstromen zeer krachtig Verblijd zijn en t' zamen verheugd; Dat ook alle bergen eendrachtig Geneugte bewijzen en vreugd. Want God komt richten hier beneden De wereld in gerechtigheid, Ende Hij zal heersen met vreden Over 't volk in der billigheid.