Van der jeugd aan hebben zij mij gekweld Duizendmaal, dies spreekt Israël met zinnen: Van der jeugd aan leverden zij mij 't veld, Maar zij hebben mij niet kunnen verwinnen.
Vers 2
Ik drage de merktekenen aan 't lijf, Zodat ik gans doorploegd te wezen schijne Op den rugge met voren diep en stijf; Gans aan twe?n is mijn arm vlees door deez' pijne.
Vers 3
Maar God, Die alles rechtvaardiglijk doet, Heeft der godd'lozen banden afgesneden; Dat zij ter schande worden, die onvroed Sion wensen 't verderf, angst met onvreden.
Vers 4
Dat zulk mens als gras word' aan elken kant, 't Welk op muren en daken onbekwame Groeit, 't welk haast verdroogt; daarom ook niemand Arbeiden wil, opdat hij 't brenge zame.
Vers 5
Men zag nooit dat enig maaier daarvan Een handvol heeft gebracht, t' eniger tijden; Veel min heeft daarvan iets gebracht die man, Die schoven bindt op 't veld aan elke zijden.
Vers 6
Zij allen, die daar wandelen voorbij, Spreken niet; de zegeninge des Heeren Zij over u, wij zegenen u vrij In den Naam Gods, die verhoogd is in ere.