Psalm 129

Vers 1

Van der jeugd aan hebben zij mij gekweld
Duizendmaal, dies spreekt Israël met zinnen:
Van der jeugd aan leverden zij mij 't veld,
Maar zij hebben mij niet kunnen verwinnen.

Vers 2

Ik drage de merktekenen aan 't lijf,
Zodat ik gans doorploegd te wezen schijne
Op den rugge met voren diep en stijf;
Gans aan twe?n is mijn arm vlees door deez' pijne.

Vers 3

Maar God, Die alles rechtvaardiglijk doet,
Heeft der godd'lozen banden afgesneden;
Dat zij ter schande worden, die onvroed
Sion wensen 't verderf, angst met onvreden.

Vers 4

Dat zulk mens als gras word' aan elken kant,
't Welk op muren en daken onbekwame
Groeit, 't welk haast verdroogt; daarom ook niemand
Arbeiden wil, opdat hij 't brenge zame.

Vers 5

Men zag nooit dat enig maaier daarvan
Een handvol heeft gebracht, t' eniger tijden;
Veel min heeft daarvan iets gebracht die man,
Die schoven bindt op 't veld aan elke zijden.

Vers 6

Zij allen, die daar wandelen voorbij,
Spreken niet; de zegeninge des Heeren
Zij over u, wij zegenen u vrij
In den Naam Gods, die verhoogd is in ere.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen