Het zijn heerlijke dingen,
Als men U looft, o Heer!
Als men des Hoogsten eer
Met harte goed mag zingen;
Als men 's morgens verkondet
Des Heeren goedigheid,
En Zijn getrouwigheid
Des nachts ook steeds vermondet.
Op dat spel van tien snaren,
En op den psalter zoet,
Ja ook op harpen goed,
Wil ik Zijn lof verklaren,
Want Uw heilige werken
Verheugen mijn hart zeer
En Uwe daden, Heer,
Roem ik zo men kan merken.
Hoe heerlijk zijn mits dezen
Uwe werken bekend,
Hoe groot en zonder end
Is Uw wijsheid geprezen!
Dit en kan niet betrachten
De mense dwaas en bot;
Een overstandig zot
Kan dit terecht niet achten.
Dat de godd'lozen groeien
Als 't gras doet op dat veld,
Die kwaad doen met geweld,
In voorspoed t' zamen bloeien;
Opdat zij daarna vallen
En eeuwiglijk vergaan.
Maar Gij Heer, zijt voortaan
God, ge?erd boven allen.
Want zie Heer, Uw vijanden
Zullen verderven al,
De boosdoeners ten val
Zullen komen met schanden.
Mijn hoorne daarentegen
Zal zeer verhoget zijn,
Gij zult mij doen gaan fijn,
Alzo d' eenhoornen plegen.
Heer! met olie vol trouwen
Werd ik gezalfd zeer klaar;
Aan mijn vijanden daar
Zal ik mijn lust aanschouwen.
Mijn oren zullen horen
Haren lust haast en snel,
Aan der bozen val fel,
Die mij willen verstoren.
Dan zal wassen en bloeien
De mens oprecht en vroom;
En als de palmenboom
En cederboom ook groeien.
Zij, die de Heer wil planten
In Zijn voorhoven rein,
Zullen al in 't gemein
Groeien aan alle kanten.
Ja ook oud zijnd' al t' zame,
Zullen zij zijn vruchtbaar,
En groeien voor en naar,
Vol vruchten aangename.
Dat van hen zij beleden,
Dat God mijn toevlucht is,
Zuiver en rein gewis
Van ongerechtigheden.
Tekst: Petrus Datheen