Gij, kind'ren die den Heer dient vrij, Looft ende prijst Zijnen Naam blij; Laat de hoogheid Gods zijn geprezen. Laat zeer heerlijk nu zijn verklaard Des Heeren Naam zeer wijd vermaard, En eeuwiglijk voort verhoogd wezen.
Vers 2
Van der zonnenopgang zeer klaar Tot den ondergang moet eenpaar Geloofd wezen Uwe Naam, Heere! Die over alle volken wreed Heerset, en zo wijd en zo breed Als de hemel is, strekt Zijn ere.
Vers 3
Wie is onzen Heere gelijk, Die in Zijn hemels koninkrijk Zo verheven is met eerwaarde? En van daar Zijn ogen afslaat, Ziende hoe 't alleszins toegaat In den hemel en ook op d' aarde?
Vers 4
Hij heft zeer fijn op uit den stof Den kleinen, tot Zijn eer en lof. Uit den drek verhoogt Hij den armen; Dat Hij hem bij de vorsten groot, Ja bij de vorsten Zijns volks bloot, Verheffe naar Zijn groot ontfarmen.
Vers 5
't Huis des wijfs, 't welk was onvruchtbaar, Geeft Hij vol kinderen eerbaar Die in 't huis spelen en op straten; Zodat d' onvruchtbare veracht, Kind'ren gewint met grote macht; Dies zij verblijd wordt bovenmaten.