Dankt God, want Hij is vriendelijk,
En Zijn goedheid duurt eeuwiglijk.
Waar is hij, die toch kan uitspreken
Des Heeren wonderwerken al?
En Zijn grootdaden, klaar gebleken,
Genoegzaam kunnen prijzen zal?
Wel dien, die houdt Uw gebod goed,
En in alle dingen recht doet.
Gedenk mijns, Heer, naar Uw genade
En naar Uwe vriendelijkheid;
Laat mij toekomen vroeg en spade
Uwen bijstand en goedigheid.
Dat wij zien en horen gemein
't Heil Uwer uitverkoor'nen rein;
En ons daarin mogen verblijden,
Dat het Uwen volke welgaat;
Dat ik mag roemen t' allen tijden
Met Uw erfdeel in dezen staat.
Wij en onze vaders meteen
Hebben U vergramd groot en kleen;
Gans verkeerd zijn, Heer, onze wegen,
Wij zijn trouw'loos aan U gaar zeer;
Onz' vaders in Egypte plegen
Uw werken te vergeten, Heer.
Zij en hebben niet recht bedacht
Uwer goedheid zeer grote kracht;
Maar aan de zee zijn zij al t' zame
Den Heere geweest zeer rebel;
Doch Hij hielp ze (door Zijnen name
En door Zijn macht) en niemand el.
Hij heeft gestraft de zee zeer wijd,
Zij werd droog en des waters kwijt;
Hij voerde ze door dat meer krachtig,
Als door een woestijne zeer breed;
En hielp ze door Zijn hand almachtig
Van al haar vijanden zeer wreed.
Hij heeft ze los en vrij gesteld
Van harer vijanden geweld.
In 't meer zijn die alle verzopen,
Die Zijn volk haten, 't welk heeft fijn
God vertrouwd, en met grote hopen
Geloofd en geroemd den God zijn.
Maar zij hebben vergeten zaan
De werken, die God had gedaan;
Zijnen raad zij niet en verwachten,
Maar werden in de woestijn daar
Belust, en hebben met verachten
God getergd en gelasterd zwaar.
Hij gaf hun harer harten lust,
Dat haar begeerte werd geblust;
Maar z' hebben haast den walg gekregen.
Zij hebben Mozes wederstaan,
En ook A?ron allerwegen,
Die de heil'ge kleders had aan.
Onder Dathan ging 't aardrijk op,
En viel Abiram op den kop.
't Vuur werd haast onder hen ontsteken,
't Welk de bozen heeft verbrand gaar;
En tot Oreb gans afgeweken,
Maakten en dienden 't kalf daarnaar.
Zo waren zij verdwaald gans zeer,
En hebben God, D'welk was haar Heer',
Bij een weidende kalf geleken;
En de werken vergeten snel,
Die God had met kracht onbezweken
In Egypte gedaan zeer wel.
Zijn daden vergaten zij haast,
Die toch 't land Cham maakten verbaasd;
En ook al Zijne wonderwerken,
Die bij 't Rode Meer zijn geschied.
Daarom liet God Zijn gramschap merken,
En wilde 't volk brengen tot niet.
Maar Mozes, Gods verkoren knecht,
Heeft hem tussen beiden gelegd,
En Gods toornigheid afgewendet,
Zodat Hij Zijn straffen naliet,
Dat Zijn volk niet gans werd geschendet,
Met zoveel plagen en verdriet.
Zij verachtten 't beloofde land,
Vol goederen aan elken kant;
Zijne woorden zij niet vertrouwden;
Maar murmureerden voor en naar,
In de hutten, die zij hen bouwden;
En verachtten Gods stemme klaar.
Daarom hief de Heer op Zijn hand
Tegen hen, en heeft ze met schand'
Met hopen ter neder geslagen.
Onder de volkeren aldaar,
Zijn zij met haar zaad door veel plagen
Verstrooid in Gods toorne zeer zwaar.
Baäl-peor hingen ze aan,
En hebben te eten bestaan
Toen kwam Pinehas met der daad,
En strafte een zulk schand'lijk kwaad.
Daarmee werden gestild de plagen;
Welke werk van God was geacht
Voor een werk naar Zijn welbehagen,
In der gerechtigheid volbracht.
Zij vergramden ook God altijd
Aan 't twistwater met haren strijd;
Mozes zij ook jammerlijk plaagden,
Bedroefden hem zo zeer zijn hart;
Dat hij wat sprak, 't welk God mishaagde,
Door ongeduldigheid en smart.
De heidenen, zo God beval,
Brachten zij niet om overal.
Maar spaarden die, 't welk was verboden;
En leerden doen haar boosheid groot;
Zij dienden haar vervloekt' afgoden,
Die hun waren enen aanstoot.
Den veldduivelen zeer onrein,
Hebben zij geofferd gemein
Haar zonen en dochteren t' zamen;
Zij vergoten 't onschuldig bloed
Harer kinderen, in de namen
Der afgoden in overvloed.
Tekst: Petrus Datheen