O God! geen God heb ik dan U;
Van 's morgens aanbid ik U, Heere!
Mijn ziel verlangt naar U gaar zere,
Die gans in mij versmeltet nu.
Geheel verdroogd is mijn lichame,
Mijn krachten vergaan al gelijk;
Mij dorstet, als een dor aardrijk,
Naar U in deez' plaats onbekwame.
Opdat ik nog eens aanzien mag
Uw heerlijkheid na dit benauwen.
Zo ik die lieflijk te aanschouwen
In Uwen schonen tempel plach'.
Want veel beter is Uw genade,
Dan 's mensen leven zelfs hier is;
Daar zal ook mijnen mond gewis
Uwen lof spreken vroeg en spade.
Daar zal ik zingen Uw eer klaar,
Zo lang als ik ben in dit leven;
U met handen hoog opgeheven,
Zal ik, o God! aanroepen daar.
Dit zoude mijns harten vreugd wezen,
En ook al mijn geneugt allein;
Mocht ik met hart en monde rein
U altijd loven, Heer geprezen.
Als ik rust op dat bedde mijn,
En overleg al Uwe krachten,
Zo moeten dan al mijn gedachten
Des nachts met U onledig zijn.
Want in mijn verdriet en mijn zorgen,
Hebt Gij mij geholpen eenpaar.
Dies prijs ik U; Gij hebt voorwaar
Met Uw vleugelen mij verborgen.
Mijn ziel hangt U zo vast'lijk aan,
Dat ze van U geenszins kan wijken;
Uw hand bewaart mij desgelijken
Voor allen, die mij tegenstaan.
Maar zij, die mijn ziel met onwaarde
Overvallen willen met leed,
Zullen in den afgrond zeer wreed
Verstoten worden onder d' aarde.
Versneden werd tot stukken klein
Met den zwaard, en tot roof gegeven
Den vossen en dieren daarneven
't Goed mijner vijanden gemein.
Dan zal de koning hem verblijden
In Uw overwinninge, Heer;
Wie U kent, zal Uw lof en eer
Uitbreiden klaar aan alle zijden.
Daarom die leugenmonden al,
Hoe valselijk dat ze ook spreken,
Zullen gestopt zijn en versteken,
Zodat ze niemand helpen zal.
Tekst: Petrus Datheen