De dwaas die spreekt in zijn harte zeer kwaad: Daar is geen God; en hij verwoest mits dezen Zijn leven gans door zijn gruwelijk wezen; Daar is niet ??n, die met woord ofte daad Wat goeds begaat.
Vers 2
God des hemels de wereld overziet, Ende bemerkt de mensen hier te lande; Of daar g??n is, die met goeden verstande, Om Gods goedheid te zoeken hem bevliet; 't Welk niet geschiedt.
Vers 3
Alles gemerkt, Hij vindt dat z' in 't gemeen Al afwijken en gaan op boze wegen; Grouw'lijk zijn zij, ja tot kwaad gans genegen; Die wat goeds werkt en is onder hen geen, Ja niet tot ??n.
Vers 4
Zijn dan de bozen zo dwaas al te zaam, Dat ze niet dan kwaad doen zonder afkeren! Die mijn arm volk als dat brood gans verteren, En altijd om t' aanroepen 's Heeren Naam Zijn onbekwaam.
Vers 5
Zonder reden zijn ze bevreesd gaar zeer. Want God die breekt aller vijanden benen, Dewijl dat Hij die al veracht met enen; Gij zult hen nog aandoen o Sion teer! Schand' en oneer.
Vers 6
Och dat de hulp over Israël, Heer! Kwam uit Sion, en dat God uit 't verlangen Wilde verlossen Zijn arm volk gevangen! Israël en Jakob zouden in eer Verblijd zijn zeer.