Den lof en prijs gans overal Met harte vrij ik roemen zal Mijns Heeren en Gods van hier boven. In Zijn gemeente zeer bekwaam, Daar de vromen komen te zaam, Zal ik den Heer danken en loven,
Vers 2
Gods werken zijn groot ende goed, Wie die waarneemt met harten vroed, Die heeft daarin een groot behagen. Wat Hij maakt is heerlijk en zoet; Dies Zijn gerecht'heid zal en moet Vast blijven ten eeuwigen dagen.
Vers 3
God heeft door Zijn daden niet slecht, Een gedachtenis opgerecht Zijner goedigheid zeer genadig. Hij spijst, die Hem vrezen eerbaar, En Zijn verbond, dat blijft hiernaar Eeuwiglijk vast ende gestadig.
Vers 4
Den Zijnen maakt Hij bekend hier Zijn daden, en geeft goedertier Tot erfgoed der heidenen landen. De waarheid en gerechtigheid, Welke blijven in eeuwigheid, Zijn t' zaam de werken Zijner handen.
Vers 5
Zijn geboden louter en klaar Zijn oprecht, ook is Zijn woord waar; Die vast staan zullen en beklijven. Hij heeft Zijn volk verlost met kracht, En een bond te wege gebracht, 't Welk bestendig en vast zal blijven.
Vers 6
Heilig en heerlijk is Zijn Naam, Ook zal Godes vreze bekwaam 't Begin der rechte wijsheid wezen. Hij is wel kloek ende wel vroed, Die God vreest en Zijnen wil doet, Die wordt in eeuwigheid geprezen.