Zo God niet Zelf dat huis oprecht, Tevergeefs is de arbeid al Desgenen die dat bouwen zal. Dat waken is gaar niet en slecht, Zo God naar Zijn vaderlijk' aard De stad niet Zelf hoedt en bewaart.
Vers 2
Het is vergeefs zo vroeg opstaan, En te waken tot 's nachts zeer spaad', En spaarlijk t' eten in dien staat Zijn brood, met zorgen zwaar belaan. Want God schier al slapende geeft Zulks dengenen, die Hij lief heeft.
Vers 3
Als de mens bekomt een kind klein, Om te erven zijn goed al t' zaam, Zulks is Gods gave zeer bekwaam. De vrucht des lichaams is allein Een vrij geschenk des Heeren goed, 't Welk Hij Zijnen kinderen doet.
Vers 4
Gelijk als een reuze met kracht Naar zijnen wille van hem schiet De pijlen snel, daar men op ziet; Zo worden onz' kind'ren geacht, Als zij jonge gezellen fijn, En sterk en groot geworden zijn.
Vers 5
Wel hem, die zijnen koker groot Vol heeft van die pijlen vernaamd, Die zal nimmermeer zijn beschaamd In tegenheid noch ander nood; Maar zijne vijanden hij zal Ter schande brengen en ten val.