Gij zijt geweest ons toevlucht, Heer genadig,
En t' allen tijd ons toeverlaat geprezen;
Ja zelfs eer de bergen waren in 't wezen,
Eer dat gemaakt werd 't aardrijk ongestadig,
Zo waart Gij God, alzo Gij nu ook zijt,
En voortaan blijven zult t' eeuwigen tijd.
Als Gij wilt, de mense moet haast bezwijken;
Gij spreekt: o mens! sterf'lijk van kleiner waarde,
Ik wil, dat gij haast wordt tot stof der aarde.
Want bij U zijn duizend jaar te gelijken,
Als bij ons een dag, die nu is vergaan,
Of een nachtwake, die haast loopt voortaan.
Gij laat den mensen een tempeest toekomen,
Zo vergaan zij als een droom onbekwame.
In ener morgenstond zijn zij al t' zame
Afgemaaid, zo men op 't veld snijdt de bloemen,
Die 's morgens staan lieflijk en schoon bijeen,
Maar 's avonds hebben verwe noch kracht geen.
Vergaan doet ons Uw gramschap zeer beladen,
En maakt dat wij zijn wonderlijk verslagen;
Uw toorn doet, dat wij ganselijk versagen,
Als Gij Heer, voor U neemt al onz' misdaden
En doorgrondt ons harte scherp'lijk met vliet,
Ja onz' verborgen gedachten doorziet.
Zo einden onz' dagen, die haast voortvaren;
Door Uw gramschap gaat recht voorbij ons leven
Als een spreekwoord, van de mensen gedreven;
Want onz' dagen zijn slechts zeventig jaren,
Of tachentig, als 't al ten beste raakt,
En naardat het een sterk mens lange maakt.
Noch is 't beste van onz' ellende dagen,
Niet dan moeit' en arbeid, ja ook zwaar lijden,
't Welk vergaat, zo wij ook doen t' allen tijden.
Wie kan den last Uwer gramschap verdragen
Ofte verstaan? Want zo groot Uw kracht is,
Zo groot is ook Uwe toorne gewis
Daarom o Heer! leer ons verstaan en merken,
Hoe kort dat ons leven is, vol van smarten.
Dat wij verstaan mogen en recht beharten
Uwe wijsheid, in Uw woord en Uw werken.
Keer tot ons, hoe lang zullen klagen wij?
Van Uwe gramschap maak Uw knechten vrij.
Maak ons 's morgens vroeg vol Uwer genade;
Opdat wij met vreugd en vrolijken zingen
Den loop onzes leven mogen volbringen.
Verheug ons, Heer, al t' zaam vroeg ende spade,
Nadat Gij ons nu hebt zo menig jaar
Zeer hard benauwd in Uwen toorne zwaar.
Over Uwe knechten laat Uw werk blijken;
Laat over onz' kind'ren schijnen Uw ere,
En Uw heerlijkheid klaar blinken, o Heere!
Regeer ons doen, o God! Heer des aardrijken,
En stier ons toch in enen rechten gank,
Regeer ons doen, want wij zijn mensen krank.
Tekst: Petrus Datheen