Wil mijn gebed, o Heer, verhoren,
Laat toch komen tot Uwe oren
Mijn smeken en mijn treurigheid;
En naar Uwe goedheid alvoren
Antwoord mij in mijn tegenheid.
Wil Heer met Uwen knecht niet treden
In 't recht naar Uw gerechtigheden,
Dat hij niet koom' in straf en pijn;
Want Heer, geen mense hier beneden
En kan voor U onschuldig zijn.
Mijn vijand vervolgt mij gaar zere,
Om mij neder te werpen, Heere,
Hij laat het niet blijven daarbij:
Maar in enen kuil met onere,
Als waar ik dood, verbergt hij mij.
Daardoor is mijn ziel zeer beladen
Met benauwdheid vroeg ende spade;
Ik schijne verlaten met haast;
Dies door deez' tegenheid en schade
Is mijn hart beroerd en verbaasd.
In dezen duisteren kuil klachtig,
Ben ik des ouden tijds gedachtig,
En Uwer werken, Heer, zeer goed;
Ik verhaal t' mijner trooste klachtig,
Die groot' daden, die Uw hand doet.
Daar zucht ik zeer in zulke standen,
En strekke tot U Heer, mijn handen;
Mijn ziel is door 't roepen gelijk
Den dorren uitgedroogden landen,
En als een zeer dorstig aardrijk.
Verhoor mij nu haast, o Heer goedig;
't Hart is flauw, ik ben schier kleinmoedig;
En verberg mij Uw aanschijn niet,
Of ik moet hun gelijk zijn spoedig,
Die men in de graven diep schiet.
Laat mij vroeg Uw genaad' aanschouwen,
Op U staat mijn hoop in 't benauwen;
Maak mij toch den rechten weg kond,
Dien ik gaan moet; want, Heer vol trouwe,
Tot U hef ik op hart en mond.
O God! mijn hopening zeer reine,
Verlos mij uit den nood niet kleine
Mijner vijanden wreed en fel.
Gij zijt, Heer, mijn toevlucht alleine,
Ja Gij, o God, en niemand el.
Leer mij Heer, naar Uw welbehagen
Wandelen recht zonder versagen;
Want Gij toch zijt mijn God voorwaar.
Dat Uwe Geest alle mijn dagen
Mij leid' in Uwen weg eerbaar.
O Heer, wil toch door Uwen Name
Mijn ziele verkwikken bekwame,
Ende levendig maken blij;
Verlos mij uit nood, angst en blame,
Door Uwe gerechtigheid vrij.
Mijn vijanden, die mij bestrijden,
Doe Heer, teniet tot deze tijden;
Door Uw goedheid verderf ook slecht
Hen, die mijn ziel aandoen groot lijden;
Want ik ben Uw getrouwe knecht.
Tekst: Petrus Datheen