In de heilige stad voorwaar, Die God Hem verkiest openbaar, Is 't dat Hij steeds ons wil bewijzen Zijn heerlijkheid niet om volprijzen. Sion gelegen in 't noord, Heeft onze God van nu voort Hem geheiliget alvoren, In een schoon land uitverkoren; Daarin alleen t' alle tijden Moet hem dat aardrijk verblijden.
Vers 2
In haar paleis is God bekend, Een Bewaarder tot in den end; Want de koningen spanden t' zamen, En gewapend tegen haar kwamen, Zij hebben Gods kracht gezien, En waren verbaasd mitsdien; Zij vlogen met groot versagen, Zeer verschrikt zijnd' en verslagen, En hebben met angst en beven Hen al in de vlucht begeven.
Vers 3
Een smart gelijk des barens nood, Heeft ze bevangen, klein en groot; Gelijk als wan' Gij met tempeesten De schepen breekt, minst met den meesten, Wij hebben 't bevonden klaar, Dat ons voorzeid was voorwaar Te weten, dat de woonstede Des sterken Gods vol van vrede, Is de plaatse, daar met lusten Onze God eeuwig wil rusten.
Vers 4
Hij heeft z' alzo gemaakt voortaan, Dat z' eeuwiglijk wel zal bestaan; Midden in Uw huis kan men, Heere! Uwe gunste wel merken zere. Dies werd alleszins verbreid, Heer! Uwes Naams heerlijkheid. Uwen lof hoort men verkonden Overal uit alle monden. Uw rechterhand is bevonden Vol gerecht'heid t' allen stonden.
Vers 5
De berg Sion is zeer verblijd; Ook houden vierdag nu ter tijd De dochters van Juda lofwaardig. Over Uw oordelen rechtvaardig, Gaat rondom Sion niet kleen, En telt haar torens meteen;
Vers 6
Want onz' God heerset overal Eeuwiglijk, dies Hij ook nu zal Ons in dit leven wel geleiden, Totdat de dood ons doet verscheiden.