Psalm 48

Vers 1

In de heilige stad voorwaar,
Die God Hem verkiest openbaar,
Is 't dat Hij steeds ons wil bewijzen
Zijn heerlijkheid niet om volprijzen.
Sion gelegen in 't noord,
Heeft onze God van nu voort
Hem geheiliget alvoren,
In een schoon land uitverkoren;
Daarin alleen t' alle tijden
Moet hem dat aardrijk verblijden.

Vers 2

In haar paleis is God bekend,
Een Bewaarder tot in den end;
Want de koningen spanden t' zamen,
En gewapend tegen haar kwamen,
Zij hebben Gods kracht gezien,
En waren verbaasd mitsdien;
Zij vlogen met groot versagen,
Zeer verschrikt zijnd' en verslagen,
En hebben met angst en beven
Hen al in de vlucht begeven.

Vers 3

Een smart gelijk des barens nood,
Heeft ze bevangen, klein en groot;
Gelijk als wan' Gij met tempeesten
De schepen breekt, minst met den meesten,
Wij hebben 't bevonden klaar,
Dat ons voorzeid was voorwaar
Te weten, dat de woonstede
Des sterken Gods vol van vrede,
Is de plaatse, daar met lusten
Onze God eeuwig wil rusten.

Vers 4

Hij heeft z' alzo gemaakt voortaan,
Dat z' eeuwiglijk wel zal bestaan;
Midden in Uw huis kan men, Heere!
Uwe gunste wel merken zere.
Dies werd alleszins verbreid,
Heer! Uwes Naams heerlijkheid.
Uwen lof hoort men verkonden
Overal uit alle monden.
Uw rechterhand is bevonden
Vol gerecht'heid t' allen stonden.

Vers 5

De berg Sion is zeer verblijd;
Ook houden vierdag nu ter tijd
De dochters van Juda lofwaardig.
Over Uw oordelen rechtvaardig,
Gaat rondom Sion niet kleen,
En telt haar torens meteen;

Vers 6

Want onz' God heerset overal
Eeuwiglijk, dies Hij ook nu zal
Ons in dit leven wel geleiden,
Totdat de dood ons doet verscheiden.
Tekst: Petrus Datheen
Verwante psalmen