Als ik roep, versta mijn reden, Mijn gebeden, O God! verhoor in 't gemeen. Mijn ziel, met angst bezwaard zere, Tot U, Heere, Heeft haren toevlucht alleen.
Vers 2
Op een steenrots, Heer geprezen, Laat mij wezen Gesteld, daar ik vrij zijn zal; Gij zijt mijn toevlucht bevonden T' allen stonden, Tegen mijn vijanden al.
Vers 3
In Uwen tempel zeer schone Is mijn wone Altijd, o God! met ootmoed; Onder Uwe vleug'len zijnde, Ik bevinde Toevlucht en bescherming goed.
Vers 4
Want Gij geeft mij, Heer, genadig En gestadig Al mijn begeerten niet klein; Want Gij laat mij, Heer, toekomen Aller vromen Erfdeel, die U vrezen rein.
Vers 5
Gij zult de jaren vermeren En vereren Uwes konings openbaar; Zodat hij vast zal beklijven Ende blijven Nog menig geslacht en jaar.
Vers 6
Voor U ook, Heer, desgelijke Zal zijn rijke Zekerlijk en vast bestaan; Dat Uw waarheid en genade Vroeg en spade Dat behoede nu voortaan.
Vers 7
Zo zal ik Uwen lof zingen En voortbringen, En groot maken Uwen Naam; Ik zal met vlijt dan betalen, Zonder dralen, Mijn beloften, Heer, al t' zaam.