Zeg gij, tiran, waarop gij bouwet Met geweld en boosheid, Hoe staat gij zo ende betrouwet Op uw ongerechtheid? Nochtans is Gods bijstandigheid Ons dagelijks bereid.
Vers 2
Uw tong alleen schadet en kwellet, En is tot allen tijd, Als een scheermes zeer wel gestellet, Dat zeer scherpelijk snijdt. Gij bemint valsheid en dat kwaad Meer dan 't recht metterdaad.
Vers 3
Om woorden die zeer kunnen schaden Te spreken zijt gij snel. Maar God zal u straffen en smaden, Gij valse tonge fel; Gij wordt doorsneden en verdrukt, Ja uit uw plaats gerukt.
Vers 4
Gij boze, gij wordt uitgehouwen Tot den wortel meteen; 't Welk de vromen zullen aanschouwen, Met een vreze niet kleen, En lachende met Uwen val, Zullen zij spreken al:
Vers 5
Dit is hij, die niet heeft verkoren God tot zijn hulp allein, Maar op zijn rijkdommen al voren Steld' hij zijn hart onrein; Hij heeft hem gesterkt met boosheid En ongerechtigheid.
Vers 6
Maar ik, die nu ben en zal wezen Alleen stout ende koen Op Gods goedigheid hoog geprezen, Als een olijfboom groen, Zal geplant zijn midden eenpaar In Godes huis eerbaar.
Vers 7
Dan zal ik voor deez' wrake, Heere, U steeds prijzen voortaan; En op U, vol van macht en ere, Gronden en blijven staan; Want Uw goedheid veel goeds doen zal Uwen volk overal.